Twee livestreamconcerten op het YouTubekanaal van Marcel

Danzas Caribeñas: klassieke salonmuziek uit Curaçao, Cuba, Venezuela en Brazilië

De links naar de concerten van 11:00 en van 20:15 zullen tijdig op deze plek worden vermeld

De concerten zijn ook nog achteraf te bekijken

PROGRAMMA EN TOELICHTING LIVESTREAMINGCONCERT – DANZAS CARIBEÑAS

KLASSIEKE MUZIEK UIT CURAÇAO, BRAZILIË, CUBA EN VENEZUELA

30 MEI 2020

Jan Gerard Palm (Curaçao, 1831 – 1906)

-El 18 de febrero (wals)

-¿Porqué sufres? (wals)

-La Trigueña (wals)

Rudolf Th.Palm (Curaçao, 1880 – 1950)

-Anne Marie (wals)

-Los Hermanos Helburg (wals)

-Winy (danzón)

Padu del Caribe (Aruba, 1920 – 2019)

-Un sunchi duchi (danza)

-Mi n’sa (wals)

Jacobo Palm (Curaçao, 1887 – 1982)

-1 de Octubre (wals)

-Qué linda (mazurka)

-Rufo (danza)

-Ecos del Alma (pasillo)

-Corazón en la mano (wals)

-El regreso de Jolly (tango)

Teresa Careño (Venezuela, 1853 – 1917)

-Mazurka de Salon (op.30)

Francisco Mignone (Brazilië, 1897 – 1986)

-Valsa de Esquina nr. 2 (1938)

-Valsa de Esquina nr. 7 (1940)

Ignacio Cervantes (Cuba, 1847 – 1905)

4 Danzas cubanas

-Almendares

-Ilusiones perdidas

-La Encantadora

-Adios a Cuba

Edgar Palm (Curaçao, 1905 – 1998)

-Padu (wals)    

-Cas Coral (wals)  

Wim Statius Muller (Curaçao, 1930 – 2019)

-Nostalgia (wals)

-Avila Beach (wals)  

-Calypso El Curaçao (wals)

-Despedida (wals)

TOELICHTING

In dit programma staan de componisten van de klassieke salonmuziek van Curaçao centraal en dan met name de vertegenwoordigers van de Palm-dynastie. De invloed van Frédéric Chopin op hun muziek is duidelijk hoorbaar. Jan Brokken heeft deze invloed uitvoerig beschreven in zijn boek Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin.

Daarnaast klinken walsen van Francisco Mignone, die wel de Braziliaanse Chopin wordt genoemd, van Teresa Careño uit Venezuela (een land dat cultureel altijd een sterke band met Curaçao heeft gehad) en Cuba, waarvan de muziek sterke overeenkomsten vertoont met die van Curaçao.

Een voorname bron voor onderstaande teksten was voor mij Joop Halman, voorzitter van de Palm Music Foundation, die zich inzet voor de promotie van de klassieke muziek van Curaçao en door wie ik veel prachtige muziek van Curaçao heb leren kennen.

Over de Caribische componisten

Jan Gerard Palm (1831-1906) wordt algemeen beschouwd als de grondlegger van de Curaçaose klassieke en geschreven salonmuziek. Hij is ook de eerste en enige componist die in de 19e eeuw op Curaçao tumba’s schreef. Tot op vandaag zijn op de ABC-eilanden verschillende van zijn composities populair. Zowel als musicus en componist was hij veelzijdig. Al op jonge leeftijd gaf hij leiding aan diverse muziekgezelschappen. Verder was hij organist in de synagoge Emanu-El en die van Mikvé Israel, organist bij de Verenigde Protestantse Gemeente en de Vrijmetselaarsloge Igualdad. Palm speelde piano, orgel, luit, klarinet, dwarsfluit en mandoline. Palm was vooruitstrevend en niet bang om een voor zijn tijd ongewoon akkoord te schrijven. Naast syncopische, en in zijn danza’s sensuele pianomuziek heeft Palm ook grotere werken geschreven voor orkest, voor piano en viool en voor orgel, al dan niet met zang. Hij componeerde voor diensten in de synagoge maar evengoed voor de protestantse kerk en de vrijmetselaarsloge.

Rudolf Palm (1880-1950), speelde piano, orgel, klarinet, fluit en saxofoon. Vanaf zijn zevende jaar kreeg hij muzieklessen van zijn grootvader Jan Gerard Palm. Al op 19-jarige leeftijd werd hij aangesteld als kapelmeester van de Stedelijke Schutterij. Rudolf Palm was gedurende vele jaren organist van de Protestantse Fortkerk (1901-1946), de synagoge Emanu-El (1911-1950), de synagoge Mikvé Israel (1926-1928) en de vrijmetselaarsloge Igualdad (1903-1950). Hij richtte ook een aantal eigen orkesten op. Verder was hij ook dirigent van De Harmonie en speelde hij dwarsfluit in het Curaçaos Philharmonisch orkest. Rudolf Palm maakte ook naam als componist. Hij schreef meer dan 140 composities, waaronder walsen, danzas, tumbas en mazurka‘s. 

Padu del Caribe (1920 – 2019)

Juan Chabaya Lampe, internationaal bekend als Padu del Caribe, speelde verschillende instrumenten voordat hij, na het horen van pianist Rufo Wever, voor de piano koos. Samen met laatstgenoemde gaf hij vele concerten en componeerde hij in 1952 Aruba dushi tera, dat in 1976 het Arubaanse volkslied werd. Daarmee heeft Aruba als enige land ter wereld een wals als volkslied. Behalve componist was Padu Lampe ook schrijver en schilder.

Zijn dochter, Vivian, ontmoet op concert Aruba

Jacobo Palm (1887-1982) begon op zevenjarige leeftijd met muzieklessen bij zijn grootvader Jan Gerard Palm. Hij was meer dan 50 jaar organist van de pro-kathedraal St. Anna op Curaçao. Ook was hij gedurende vele jaren concertmeester van het Curaçaosch Philharmonisch Orkest en gedurende 12 jaar lid van het Curaçaos strijkkwartet, waarin hij altviool speelde. Jacobo Palm maakte ook naam als componist. Behalve talrijke walsen, danza‘s, mazurka‘s, polka‘s, tumba‘s, tango‘s, pasillo‘s en marsen componeerde hij ook kerkliederen en profane liederen.

De wals Primero de Octubre componeerde Palm op verzoek van Archimedes Salas Baiz. Archimedes klampte Jacobo op straat aan en vroeg hem om mee te gaan naar het huis van zijn vriendin Chatica Capriles aan het Brionplein. Archimedes wilde haar namelijk ter gelegenheid van haar verjaardag een wals aanbieden. Spontaan componeerde Jacobo aan de vleugel de wals Primero de Octubre. Op het oorspronkelijke manuscript staat de aantekening ‘La compuse, viendo a Chatica Capriles’ (ik heb dit gecomponeerd terwijl ik keek naar Chatica Capriles). De wals bleef niet zonder het beoogde effect: Archimedes en Chatica traden niet lang daarna in het huwelijk.

Zijn composities verraden, naast een grondige kennis van de klassieke muziek, ook een fijn gevoel voor het polyritmisch karakter van de Caribische muziek.

Teresa Carreño (1853-1917), kan beschouwd worden als één van de meest toonaangevende componisten van Venezuela. Naast componiste, was zij een bijzonder getalenteerd pianiste, operazangeres en dirigente. Ze had aanvankelijk les van haar vader. In 1862 verhuisde haar familie naar New York, waar ze les kreeg van Louis Moreau Gottschalk. Op haar achtste maakte Teresa Carreño haar pianodebuut in de Irving Hall en in 1863 speelde ze in het Witte Huis in Washington voor president Abraham Lincoln. Zij gaf wereldwijd concerten als pianiste en operazangeres. Teresa Carreño schreef minstens 40 werken voor piano, voor zang en piano en voor koor en orkest. In 1905 nam ze 18 stukken op pianolarol op. Een aantal hiervan zijn op YouTube te beluisteren.

Francisco Mignone (1897 – 1986)

Francisco Mignone is beroemd in zijn vaderland Brazilië maar is daarbuiten nog nauwelijks bekend. Zijn muziek combineert de muziek van Chopin en het Italiaanse belcanto met de Braziliaanse volksmuziek en haar karakteristieke, opzwepende ritmes. De ziel van zijn muziek is echter vooral te vinden in het gevoel van de saudade: het onbestemde maar hartstochtelijke verlangen naar iets dat je niet eens kent maar waarvan je het bestaan vermoed. Een verlangen, dat niet alleen in Brazilië maar, opgewekt door de zee met haar onbekende horizonten, in het hele Caribisch gebied is te voelen.

Marcel bezocht in de zomer van 2013 Mignone’s weduwe, de pianiste Maria Josephina Mignone, in Rio de Janeiro om daarna als eerste Nederlandse pianist zijn muziek op  cd  vast te leggen.

Ignacio Cervantes Kawanagh (1847-1905), is één van de toonaangevende Cubaanse componisten uit de 19de eeuw. Hij kreeg aanvankelijk muziekonderricht van Juan Miguel Joval en Nicolás Ruíz Espadero en vervolgens van de bekende Amerikaanse componist en pianist Louis Moreau Gottschalk (1829-1869). Het was Gottschalk die hem aanmoedigde om in Parijs zijn muziekstudie te vervolgen aan het conservatorium. Daar kreeg hij ondermeer les van Charles-Valentin Alkan. Cervantes werd door het conservatorium in Parijs gelauwerd met eerste prijzen voor zijn composities. Tot zijn bewonderaars in Parijs hoorden o.a. Liszt, Rossini en Gounod.

Net als de componisten Hubert de Blanck en José White y Lafitte spande ook Cervantes zich in voor de Cubaanse bevrijding van het Spaanse koloniale bewind. Hij moest Cuba tot tweemaal toe verlaten maar keerde weer terug naar zijn geboorte-eiland. Cervantes componeerde één symfonie in C (1879), twee opera’s (Maledetto, 1895 en Los Saltimbanquis, 1899), diverse kamermuziekwerken, zarzuelas (Spaanse musicals) en zijn wereldberoemde 45 Danzas Cubanas waarin hij Cubaanse ritmes verwerkte.    

Edgar Palm (1905 -1998) kreeg net als zijn broer Albert, pianoles van zijn vader, de Curaçaose musicus en componist Rudolf Palm. Al vanaf zijn elfde verving Edgar met zekere regelmaat zijn vader als organist van de Fortkerk op Curaçao. In 1924 vertrok Edgar Palm naar Nederland om te studeren aan de HTS. Hij wist zijn studie te combineren met muziek. Na zijn studie keerde Edgar Palm terug naar Curaçao waar hij zijn werk als ingenieur bij de olieraffinaderij jarenlang combineerde met het geven van talrijke muziekuitvoeringen. Edgar Palm schreef een zeventigtal composities waaronder een tweetal balletten. Hij heeft zijn uitgebreide kennis over de Curaçaose muziek en de musici vastgelegd in zijn boek “Muziek en musici van de Nederlandse Antillen”. De wals Padú heeft Edgar Palm in 1951 opgedragen aan de Arubaanse pianist en componist Juan Chabaya (Padú) Lampe en Cas Coral in 1948 aan de toenmalige directeur van de Koninklijke Shell op Curaçao. 

Wim Statius Muller (1930 – 2019) kreeg vanaf zijn zevende jaar pianoles van de Curaçaose musicus en componist Jacobo Palm. Hij vervolgde zijn pianostudie aan de Juilliard School of Music in New York waar hij bij Josef Raieff (de laatste leerling van Aleksandr Ziloti) piano en compositie studeerde. Na zijn diplomering in 1954 doceerde hij vanaf 1955 piano en muziekgeschiedenis aan de Ohio State University. In 1960 stopte Statius Muller met zijn werk aan de universiteit, om een betrekking als ambtenaar te aanvaarden; aanvankelijk op Curaçao, waar hem onverwacht werd gevraagd om mee te werken aan de oprichting van een veiligheidsdienst aldaar. Hij werkte vervolgens lange tijd in een leidinggevende functie bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst in Den Haag en vervolgens bij het NAVO hoofdkwartier in Brussel.

In zijn composities zijn zowel de traditie van de 19de-eeuwse Curaçaose salonmuziek als de invloed van Chopin duidelijk hoorbaar. 

Dansvormen

Als muziek niet dansbaar is, dan is het geen muziek…”. Zo ongeveer luidt het muzikale credo op Curaçao. We beperken ons tot een korte bespreking van de danza, de wals en de mazurka, hoewel in de Caribische pianomuziek ook de pasillo, de calypso en vele andere dansvormen worden gebruikt.

Onderstaande tekst is een enigszins geparafraseerde tekst van Joop Halman, groot kenner van de klassieke muziek van Curaçao.

De Caribische danza

Zoals de Curaçaose wals getypeerd wordt door een rijkdom aan harmonische variaties, zo wordt de Caribische danza gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan ritmen. De oudst bekende danza dateert van 1804 en komt uit Cuba. Als dans beleefde de danza haar meest glorierijke periode van de tweede helft van de 19e eeuw tot aan het begin van de jaren ’40 van de 20ste eeuw. Toch vervult de danza op sommige eilanden in het Caribisch gebied nog altijd een belangrijke symbolische functie. Zo wordt de danza Los tres Golpes (een compositie van Ignacio Cervantes) door de Cubaanse televisie gebruikt als herkenningsmelodie en is het nationale volkslied van Puerto Rico, La Borinqueña, een danza. 

De Caribische danza is een dans in tweekwartsmaat. Deze is opgebouwd uit twee, drie of vier delen. In het eerste deel, de chaîne, komen Noord-Europese elementen sterk naar voren. De chaîne stamt uit het zestiende-eeuwse Engeland. Country dance werd in Frankrijk foutief vertaald als Contredance. Het eerste deel van de danza is dus een afgeleide van de contredance.

In de Franse kolonie Saint Domingue (de oude naam voor Haïti) werd de contradanza, sterk verrijkt met uit Afrika afkomstige ritmen. Na de slavenopstand van 1791 vluchtte een groot aantal Franse kolonisten en slaven naar de Cubaanse provincie Oriente, maar ook naar Curaçao. Vanuit Cuba zou de danza, nu met toevoeging van de magie van het Latijns-Iberische lied, uitwaaieren naar de salons van andere eilanden in de regio, waaronder Curaçao.

De Curaçaose wals

Evenals de Europese wals waaruit de Curaçaose wals ten dele is voortgekomen, staat de Curaçaose wals in driekwartsmaat. Maar in tegenstelling tot het strakke driekwartsritme van de meeste Europese walsen, is de Curaçaose wals opvallend rijk aan syncopen, zowel in de melodie als de ritmische begeleiding. 

De Curaçaose wals is doorgaans opgebouwd uit twee of drie delen van elk 16 maten. Zo kent een typische tweedelige wals 32 maten en een driedelige wals 48 maten. Het is de uitdaging voor de componist om binnen dit strakke regiem van een miniatuur met een beperkt aantal toegestane maten, een vindingrijke opeenvolging van akkoorden te verzinnen die niet alleen het oor strelen, maar waarmee ook een danspaar vleugels onder de voeten krijgt. Verschillende van de Curaçaose walsen zijn geschreven om een moment van verdriet of juist van geluk in muziek tot uitdrukking te brengen of om een persoon die de componist liefhad te eren.

De Curaçaose mazurka

De oorsprong van de mazurka ligt in Polen. Als dans, was de mazurka al sinds de 17e eeuw geliefd bij de Poolse adel. Augustus II, Koning van Polen, introduceerde de mazurka in de 18e eeuw ook aan de Duitse hoven. De mazurka verspreidde zich sindsdien over meerdere landen in Europa waarbij er diverse varianten van mazurka’s en danswijzen ontstonden.

Toen Polen in 1795 door toedoen van Pruisen, Rusland en Oostenrijk van de landkaart werd weggeveegd, leidde dit tot een enorme uittocht van meer dan 100.000 Polen naar Frankrijk. Veel Polen namen dienst in het Franse leger, hopende dat ze daarmee Napoleon zouden kunnen bewegen om Polen weer de zo door hen gewenste onafhankelijkheid te verschaffen. Het Poolse legioen bracht Napoleon evenwel in verlegenheid omdat hij in dit stadium de Pruisen, de Oostenrijkers en de Russen (nog) niet voor het hoofd wilde stoten. Toen hij echter 43.000 manschappen in 1801 liet inschepen naar Haïti om de vrijgevochten slaven af te straffen, kwam een Pools legioen met 5000 manschappen hem goed van pas.  Het is waarschijnlijk dat de Polen ook de mazurka op Haïti hebben geintroduceerd. Vandaar verspreidde de dans zich over het gehele Caraïbische gebied.

In tegenstelling tot de Europese mazurka, waar de klemtoon bij het spelen op de tweede tel van de maat komt te liggen, valt de klemtoon bij de Curaçaose mazurka’s op de eerste tel van de maat.

Onder invloed  van  Chopin werden in de 19de en het begin van de 20ste eeuw ook mazurka’s gecomponeerd die niet zozeer bedoeld waren als dansmuziek maar uitsluitend om naar te luisteren. De Mazurka de Salon op.30 van de Venezolaanse componiste Teresa Carreño, is hier een fraai voorbeeld van.

Ga terug naar het volledige agenda overzicht